Hoe herken je een dakloze jongere?

Het antwoord: niet. “Jongeren doen erg hun best om niet bij het achterhaalde beeld van een dakloze man te horen. Maar daardoor hebben gemeenten niet altijd door dat het probleem bestaat.”   

Door Vera Boonman

Het lectoraat Innovatieve Maatschappelijke Dienstverlening van Lia van Doorn richt zich op hulp- en dienstverlening aan cliënten met een complexe problematiek. Samen met onderzoekers Ed de Jonge en Raymond Kloppenburg deed ze als lector onderzoek naar preventie van dakloosheid onder jongeren. Het lectoraat van Hogeschool Utrecht liep bij dit onderzoek tegen de beeldvorming van dakloze mensen aan.

In gesprek met Van Doorn en De Jonge gaat het over deze beeldvorming, over hun onderzoeken en hoe het komt dat ze zich nu al jaren bezighouden met het onderwerp dakloosheid.

Lia van Doorn

HU-lector Lia van Doorn. Beeld: Robert Oosterbroek

Jullie aankomende rapport is bijna afgerond. Wat toonde jullie onderzoek naar preventie van dakloosheid onder jongeren aan?
Lia van Doorn: “Vooraf kwamen we er met Stichting Zwerfjongeren Nederland achter dat het begrip preventie lastig te duiden is. Het doel van de stichting is voorkomen dat jongeren dakloos worden, maar hoe geef je daar invulling aan? Daarom is dit rapport een theoretische verkenning naar dakloosheid en de preventie daarvan bij jongeren.”
Ed de Jonghe: “We hebben daarbij gekeken naar andere onderzoeken naar preventie. In een Canadees onderzoek wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen twee vormen van problemen die leiden tot dakloosheid bij jongeren: structurele problemen en systemische problemen.”

Structurele problemen

“Structurele problemen zitten op het politieke niveau. Bijvoorbeeld: als er te weinig woningen zijn, dan gaat het nooit lukken om dakloosheid helemaal op te lossen. Bij systemische problemen gaat het om de samenwerking tussen instellingen en systemen. In Nederland zie je bijvoorbeeld dat er genoeg geregeld is met ouders, scholen of jeugdhulp als jongeren jonger zijn dan achttien jaar. Maar zodra ze achttien worden, gelden andere regelingen en kunnen ze in een gat vallen. In een vervolgonderzoek willen we kijken hoe we preventie meer kunnen toespitsen op de Nederlandse situatie.”

In jullie rapport gaat het ook over hoe dakloosheid bij jongeren er uit ziet. Wat merken jullie zelf van de beeldvorming van dakloosheid?
EdJ: “Als je gesprekken over dakloosheid voert, merk je dat mensen denken aan een oude man, die nors kijkt en over straat loopt met een winkelwagentje met veel plastic tassen en wijn erin. Dat beeld klopt tegenwoordig niet meer, en het komt zeker niet overeen met de jongeren.”
LvD: “We willen daarom ook een ander onderzoek starten. Dat gaat over de routes van jongeren naar de straat.  Hier is in de jaren tachtig onderzoek naar gedaan, maar we hebben het idee dat deze routes veranderd zijn. Het aantal jongeren met een migratieachtergrond neemt toe en ook zijn er meer meiden op straat. We vermoeden dat zij een specifieke route afleggen, en willen onderzoeken wat deze routes dan specifiek maakt.”

 

Lia van Doorn: ‘Jongeren doen hun best om niet bij het achterhaalde beeld van een dakloze te horen.’

 

EdJ: “Een van de meiden die we spraken, vertelde dat zij op de middelbare school zat en dat het contact tussen haar en haar ouders scheef liep. Ze had behoefte aan een aparte woonruimte. Ze had dus heel goed in de gaten wat er aan de hand was, maar ze kon niet voorkomen dat ze dakloos werd. De enige woonruimte die ze kon vinden, was veel te duur en voelde onveilig. Dat op dat moment ingrijpen bijna niet mogelijk is, dat zou eigenlijk niet moeten kunnen.”

Hoe herken je dan een dakloze jongere?
LvD: “Dat is het ding, je herkent ze niet. Je ziet het niet aan de jongeren dat ze geen vast huis of thuis hebben. De jongeren doen ook erg hun best om niet bij die dat achterhaalde beeld van de standaard dakloze man te horen. Maar daardoor hebben gemeenten ook niet altijd door dat dit probleem bestaat. Ze denken vooral naar het achterhaalde beeld. Maar gemeenten moeten ook alert zijn op jongeren die een risico vormen om dakloos te worden. De jongeren die misschien uitvallen van school of die op een camping overnachten of steeds her en der op de bank slapen.”
EdJ: “Het maakt het ook lastig dat er geen goed beeldmateriaal bestaat van dakloze jongeren. Het zijn dramatische plaatjes, die er online te vinden zijn. Jongeren die met hun handen in het haar zitten op een bankje in het park.”
LvD: “Ja, we wilden bij het rapport een plaatje op de voorkant maar we dachten: laat maar weg. Het is heel moeilijk om dit onderwerp te vatten in een beeld dat direct begrepen worden.”

Onzichtbaar hoekje

Dat dakloosheid in een soort onzichtbaar hoekje wordt gedrukt, lijkt al langer een probleem. In een van de artikelen die het Beelddepot analyseerde, sprak dagblad Trouw in 2019 over de komst van een ‘daklozencamping’, bedoeld als drukmiddel aan de gemeente Amsterdam om de crisis in de daklozenopvang op te lossen. Echter: de gemeente legde de initiatiefnemer Frank van der Linde een dwangsom op van 10.000 euro die kon oplopen naar 50.000 als hij zijn daklozencamping in het Vondelpark doorzette.

Volgens Van der Linde ziet de gemeente het daklozenprobleem niet. De opvangcentra zijn overvol en letterlijk op straat slapen is verboden, dat kan een boete van 150 euro per nacht opleveren. Nu zeggen handhavers tegen Van der Linde: ‘Ga maar niet in het zicht liggen.’ “Zo worden daklozen in de onzichtbaarheid gedrukt”, aldus Van der Linde in Trouw.

 

Ed de Jonghe: ‘De politiek wordt vooral gestuurd door overlast en publieke opinie.’

 

Door een soort standaard beeld van dakloosheid, kun je het probleem soms ook herkenbaar maken. Hoe zorgen we ervoor dat dakloosheid niet onzichtbaar wordt?
Ed de Jonghe: “Dat is de uitdaging inderdaad, hoe maak je op een correcte manier zichtbaar dat dit probleem bestaat? De politiek wordt vooral gestuurd door overlast en publieke opinie.”

Lia van Doorn: “Dat is ook de macht van het getal, hè. Toen er in de jaren tachtig veel daklozen samenkwamen onder de gangen bij Hoog Catharijne zorgde dat voor dramatische foto’s. Drommen daklozen hadden hun bankstellen en een schemerlamp naar die plek gesleept. Het had een enorme impact. Hoe kan dit gebeuren in onze welvaartstaat, vroeg men zich af. Er ging veel politieke aandacht naartoe, hostels werden opgericht voor deze groep. De situatie mocht niet voortbestaan. Maar toen deze mensen in hostels woonden en daarna in flatjes, was er geen aandacht meer voor hun achterliggende problematiek. Hulpverleners in de maatschappelijke opvang hadden hier veel frustratie over.”

Ed de Jonghe

HU-onderzoeker Ed de Jonge. Beeld: Vera Boonman

Hoe lossen we het dakloosheidsprobleem in Nederland op en zorgen we ervoor dat het ook opgelost blijft?
EdJ: “We kunnen geen wonderen verrichten. Ook met dit onderzoek zien we onze beperkingen. Maar in ons model zijn we in elk geval bezig met welke interventies en preventiemaatregelen nodig zijn zodat het probleem structureel opgelost wordt. Zoals ik al zei: als er niet voldoende woonruimte is, moet er iets gebeuren. Daarnaast zijn er mensen die moeite hebben met zelfstandig wonen, of juist mensen die niet in groepsverband willen wonen. Sommige mensen hebben begeleiding nodig. Deze puzzelstukjes moeten allemaal op de goede manier in elkaar vallen.”
LvD: “Het is wel lastig dat de politiek elke vier jaar weer verandert. Als een wethouder geld vrijmaakt voor preventie, dan zie je soms pas ná vier jaar de verbetering. Continuïteit en duurzaamheid is echt cruciaal op dit vlak, terwijl de politiek gestuurd wordt door de waan van de dag.”

Uit een CBS-rapport in 2019 bleek dat het aantal daklozen sinds 2009 meer dan verdubbeld was. Het aantal dakloze jongeren was zelfs verdrievoudigd: van vierduizend 18 tot 30-jarigen zonder huis of thuis in 2008 naar ruim twaalfduizend in 2018. Deze stijging is momenteel tot stilstand gekomen, blijkt uit de meest recente cijfers van het CBS.

LvD: “De enorme toename van het aantal dakloze jongeren zorgde voor een schok bij beleidsmakers. Er kwam onmiddellijk een plan van aanpak. Maar vanuit de preventiegedachte zou je altijd die vinger aan de pols moeten houden. Dan hoeven we ons niet te laten verrassen door opeens dramatische aantallen in een CBS-rapport.”
EdJ: “Wat we kunnen toevoegen is het preventiemodel. Hierbij heb je te maken met verschillende niveaus, landelijk, maar ook lokale professionals, organisaties en de burgers. Het is een complex netwerk en juist het afstemmen van al die lagen op elkaar maakt het een ingewikkelde en uitdagende klus. Als een niveau achterblijft, zorgt dat ook voor problemen bij de rest. Deze lagen kunnen wel zo snel mogelijk registreren als er iets fout gaat.”

Wat zorgde er bij jullie voor dat jullie je met dakloosheid bezig wilden houden?
EdJ: “Toen ik zelf nog studeerde, zat ik in een relatie die vastliep. Ik was doodongelukkig en ik moest daar weg. Ik ben in de zomervakantie met de trein naar Griekenland gegaan.  Daar ben ik gaan rondzwerven. Ik sliep op campings en kwam in contact met twee Palestijnen die hun thuisland waren ontvlucht. Een tijd heb ik met hen opgetrokken. Zij moesten zo min mogelijk geld uitgeven. Op de markt kregen we het fruit dat niet goed meer was en zij zochten de plekjes om te overnachten. Zo heb ik er wel heel even aan kunnen ruiken hoe het was om op die manier te leven. Dat is inmiddels al ruim veertig jaar geleden.”
LvD: “Ik wilde meer over de daklozenopvang leren tijdens mijn studie pedagogiek. Op een feestje hoorde ik verhalen van iemand van wat je daar tegenkomt als vrijwilliger. Die wereld interesseerde me, omdat ik in mijn directe omgeving een jongen kende die moeite had met meekomen en zijn ouders die moeite hadden met de opvoeding. Ik wilde weten wat een eventueel voorland was voor deze jongen.”

“De daklozenopvang was een enorme leerschool voor mij als bleu meisje van het platteland. Ik kwam plotseling in een wereld terecht van mensen die net ontslagen waren uit detentie of vrouwen die ‘s avonds nog even de deur uitgingen om te tippelen, omdat ze anders geen geld konden verdienen. Ik heb in een korte tijd heel veel geleerd. En met die jongen… daarmee is het uiteindelijk goed gekomen, maar het blijft nog altijd kwetsbaar.”

Het Beelddepot, onderdeel van het Bouwdepot, ontwikkelt een beeldbank samen met persfotografen, illustratoren,  ervaringsdeskundigen en onderzoekers als Lia van Doorn en Ed de Jonghe. Deze beeldbank zal gevuld worden met realistische foto’s van het leven van dak- en thuisloze mensen. Ook gaan we in gesprek met mediamakers en journalisten en fotografen in opleiding om hun rol in beeldvorming te bespreken en samen toe te werken naar een betere representatie.

Volg het onderzoek via deze website of via Instagram.